Aller au contenu principal

Tegenwoordige tijd: In de tuin of op het balkon

Tegenwoordige tijd: In de tuin of op het balkon A2
Elke ochtend
ik graag op het balkon. (zitten)

Chaque matin, j'aime m'asseoir sur le balcon.

De zon
al lekker warm. (schijnen)

Le soleil brille déjà agréablement.

De bloemen
water nodig vandaag. (hebben)

Les fleurs ont besoin d'eau aujourd'hui.

Mijn buurvrouw
een boek in haar tuin. (lezen)

Ma voisine lit un livre dans son jardin.

Een vogel
een mooi liedje in de boom. (zingen)

Un oiseau chante une belle chanson dans l'arbre.

Ik
de kinderen in de verte spelen. (horen)

J'entends les enfants jouer au loin.

Wij
van de frisse lucht. (genieten)

Nous profitons de l'air frais.

Wat
jij meestal in de tuin? (doen)

Que fais-tu habituellement dans le jardin ?

Straks
we nog even wandelen. (gaan)

Bientôt, nous irons nous promener.

Het
heerlijk om buiten te zijn. (zijn)

C'est merveilleux d'être dehors.