Salta al contenuto principale

Boodschappen doen in de tegenwoordige tijd

Boodschappen doen in de tegenwoordige tijd A2
Ik
naar de supermarkt. (gaan)

Vado al supermercato.

Mijn vriend
daar op mij. (wachten)

Il mio amico mi sta aspettando lì.

Wij
fruit kopen. (willen)

Vogliamo comprare della frutta.

Eerst
we naar de groenten. (kijken)

Prima guardiamo le verdure.

De tomaten
er vers uit. (zien)

I pomodori sembrano freschi.

Een vrouw
om hulp. (vragen)

Una donna chiede aiuto.

De medewerker
haar informatie. (geven)

L'impiegato le dà informazioni.

Mijn vriend
plots een mooi shirt in de etalage. (zien)

Il mio amico vede improvvisamente una bella camicia nella vetrina.

We
om eerst naar de kledingwinkel te gaan. (besluiten)

Decidiamo di andare prima al negozio di abbigliamento.

De dag
leuk! (zijn)

La giornata è divertente!