Overslaan en naar de inhoud gaan

Werkwoorden op kantoor: Tegenwoordige Tijd

Tegenwoordige tijd A2
Ik
mijn dag met koffie. (beginnen)
De manager
de nieuwe e-mails. (lezen)
Wij
het project deze ochtend. (bespreken)
Jij
de belangrijke notulen. (typen)
Hij
hard aan de presentatie. (werken)
Zij
een potentiële klant. (bellen)
De computers
op alle bureaus. (staan)
Wat
jullie precies nu? (doen)
Ik
het rapport zo meteen. (versturen)
Het hele team
samen in de kantine. (lunchen)