Overslaan en naar de inhoud gaan

Mijn dag op de universiteit: zelf voorstellen en routine

Woordenschat A1
Hallo, ik
Anna. (zijn)
Ik
hier aan de universiteit. (studeren)
Ik woon
een huis dichtbij de campus.
Elke ochtend
ik om zeven uur op. (opstaan)
Dan
ik en kleed me aan. (douchen)
Na het ontbijt
ik naar de les. (lopen)
De lessen
om negen uur. (beginnen)
Ik
graag nieuwe dingen. (leren)
's Middags
ik lunch met mijn vrienden. (eten)
Na de lessen
ik naar de bibliotheek. (gaan)