Skip to main content

Lisa op de markt: werk en boodschappen

Tegenwoordige tijd A2
Lisa, een zorgmedewerker,
na haar werk naar de markt. (gaan)
Ze
daar verse groenten voor haar avondeten. (kopen)
Haar collega Jeroen
vandaag nog in het ziekenhuis. (werken)
Lisa
aan haar patiënten vanochtend. (denken)
Ze
een oudere man helpen met opstaan. (moeten)
Nu staat ze
de bakker voor brood.
De bakker
hoe haar dag was. (vragen)
Lisa vertelt dat het druk
op haar afdeling. (zijn)
Ze
ook medicijnen uitgedeeld. (hebben)
Morgenochtend
haar dienst weer vroeg. (beginnen)