Przejdź do treści

Een middag op het balkon: Tegenwoordige tijd

Een middag op het balkon: Tegenwoordige tijd A2
De zon
lekker op mijn balkon. (schijnen)

Słońce ładnie świeci na moim balkonie.

Ik
de balkondeur wijd. (openen)

Otwieram szeroko drzwi balkonowe.

Mijn buurvrouw
de was op. (hangen)

Moja sąsiadka wiesza pranie.

De kat van de buren
te slapen. (liggen)

Kot sąsiadów śpi.

Ik
mijn kopje koffie op tafel. (zetten)

Stawiam filiżankę kawy na stole.

Een bij
rond de bloemen. (vliegen)

Pszczoła lata wokół kwiatów.

Ik
een boek in de zon. (lezen)

Czytam książkę na słońcu.

Mijn telefoon
plotseling af. (gaan)

Mój telefon nagle dzwoni.

Ik
de telefoon op. (nemen)

Odbieram telefon.

Het
een vriendin die belt. (zijn)

Dzwoni przyjaciółka.