← Retour à la vue d'ensemble Tegenwoordige tijd A2 Ik Vide 1 elke week verse groenten op de markt. (kopen) J'achète des légumes frais au marché chaque semaine.Mijn zus Vide 2 vaak met me mee. (gaan) Ma sœur m'accompagne souvent.Vandaag Vide 3 ik ook brood halen bij de bakker. (willen) Aujourd'hui, je veux aussi acheter du pain chez le boulanger.De bakker Vide 4 zijn winkel al vroeg. (openen) Le boulanger ouvre sa boutique tôt.Hij Vide 5 de lekkerste broden van de stad. (bakken) Il cuit les pains les plus savoureux de la ville.Mijn moeder Vide 6 altijd zijn speltbrood. (eten) Ma mère mange toujours son pain d'épeautre.Ik Vide 7 contant voor de appels en peren. (betalen) Je paie en espèces pour les pommes et les poires.De verkoper Vide 8 me een zakje mee. (geven) Le vendeur me donne un sac.Wij Vide 9 even over het weer. (praten) Nous discutons brièvement de la météo.Daarna Vide 10 ik mijn boodschappen mee naar huis. (nemen) Ensuite, je ramène mes courses à la maison. Prochain exercice → ← Terug naar overzicht