Przejdź do treści

Werkwoorden op de markt: Tegenwoordige tijd

Tegenwoordige tijd A2
Ik
elke week verse groenten op de markt. (kopen)

Każdego tygodnia kupuję świeże warzywa na targu.

Mijn zus
vaak met me mee. (gaan)

Moja siostra często mi towarzyszy.

Vandaag
ik ook brood halen bij de bakker. (willen)

Dziś chcę też kupić chleb w piekarni.

De bakker
zijn winkel al vroeg. (openen)

Pani piekarz otwiera swój sklep wcześnie.

Hij
de lekkerste broden van de stad. (bakken)

On piecze najsmaczniejsze chleby w mieście.

Mijn moeder
altijd zijn speltbrood. (eten)

Moja mama zawsze je jego chleb orkiszowy.

Ik
contant voor de appels en peren. (betalen)

Płacę gotówką za jabłka i gruszki.

De verkoper
me een zakje mee. (geven)

Sprzedawca daje mi worek.

Wij
even over het weer. (praten)

Rozmawiamy chwilę o pogodzie.

Daarna
ik mijn boodschappen mee naar huis. (nemen)

Potem zabieram zakupy do domu.